Bananen in de plantenwereld

De bananenplanten behoren tot het geslacht Musa, uit de familie Musaceae. Het zijn monocotyle (eenzaadlobbige) planten, net als de grassen, de palmen, de lelies en de orchideeën. Wereldwijd zijn er een zeventigtal soorten bekend. De bananenplant kan tot 15 meter hoog worden. De vruchten groeien in clusters van 50-150, met individuele bananen gegroepeerd in trossen van 10-20 vruchten.

 

Links: Musa acuminata. Rechts: Musa balbusiana.
Bron: links: Derek Keats, Flickr, CC BY 2.0; rechts: Xufanc, Wikimedia, CC BY-SA 3.0

 

Het was de Zweedse plantkundige Linnaeus die de naam Musa heeft ingevoerd. Hij ontleende het woord ofwel aan de naam van de lijfarts van de Romeinse keizer Augustus, Antonius Musa (die de banaan al zou gepromoot hebben in de eerste eeuw voor Christus), ofwel van het Arabische woord mauz voor de gele vrucht. De Nederlandse benaming banaan hebben we geërfd uit het Wolof, een taal die gesproken wordt in de West-Afrikaanse landen Senegal, Gambia, en Mauritanië, al zouden de mensen daar het woord zelf hebben overgenomen uit het Arabisch, waar banaan vingertop betekent.

Linnaeus deelde de bananen op in enerzijds de dessertbananen, met soortnaam Musa sapientum, en anderzijds de bakbananen, met soortnaam Musa paradisiaca. Twee lyrische namen: de ene was de banaan van de wijzen, de andere die van het paradijs. Hierbij sloeg hij de bal echter mis. Linnaeus' Musa sapientum en Musa paradisiaca bleken namelijk geen natuurlijke soorten. Beide bananenvarianten waren cultivars, die afstamden van twee wilde zaadproducerende soorten, Musa acuminata en Musa balbisiana. Sinds 1955 spreken wetenschappers daarom van de oudersoorten Musa acuminata en Musa balbisiana, en van Musa × paradisiaca voor de kruising tussen beide oudersoorten.

Bananenliefhebbers mogen zeker blij zijn dat deze hybride vorm is ontstaan. Musa acuminata heeft een onverteerbaar vruchtvlees, en Musa balbisiana bevat veel te veel zaden om als lekkernij te dienen. Zo'n tienduizend jaar geleden moeten toenmalige jagers-verzamelaars echter ontdekt hebben dat sommige van deze hybride bananen lekker, verteerbaar, voedzaam… en zaadloos waren. Alleen waren de planten onvruchtbaar. Toen de mens er echter in slaagde om deze planten te vermenigvuldigen door ze te stekken, vond de banaan zijn weg naar ons menselijke dieet.  Met voordelen… maar ook met nadelen. Maar daarover later meer.

 

De vele zaden in Musa balbisiana
Warut Roonguthai, Wikipedia, CC BY-SA 3.0

 

Bananen hebben immers nog wel enkele andere opvallende botanische kenmerken. Om te beginnen is de plant geen boom, maar een kruid. Het verschil tussen een (echte) boom en een bananenplant heeft echter niets te maken met de hardheid van de stam: die is in beide gevallen, bij bomen én bij de banaan, te danken aan de sterk verdikte celwanden rond de cellen in de stam, voorzien van een dikke laag houtstof of lignine. Het onderscheid zit ‘m in de structuur van de volwassen stengel.

 

Is de bananenplant een boom of niet?
Bron: Rameshng, Wikimedia. CC BY-SA 3.0

 

Bij “echte” bomen onderscheiden we in de stam vier zones: aan de buitenkant zit de schors, daarbinnen zit de bast, en helemaal in het centrum zit het hout. Schors schermt de stam af, bast zorgt voor het vervoer van de suikers uit de bladeren naar de wortels, en het hout transporteert water van de wortels naar de bladeren. Tussen het hout en de bast zit een dunne laag die we het cambium noemen: de laag die naar buiten toe nieuwe bastcellen en naar binnen toe houtvezels aanmaakt, en die ervoor zorgt dat bomen aan omvang winnen. Zagen we een bananenplant doormidden, dan zien we een geheel andere structuur: hier bestaat de stam uit de verschillende bladstelen die op en over mekaar heen gegroeid zijn. Bananenplanten worden dikker en omvangrijker doordat er zich meer bladeren vormen, en wat er zo ontstaat is een pseudostam. De bladknoppen ontstaan onderaan, in het hart van deze stam, en zorgen van binnenuit voor een verdere ontwikkeling van de plant. De buitenste bladeren sterven af naarmate ze ouder worden, en de bladsteel blijft achter. Dit gebeurt overigens ook bij palmen… die dus ook geen echte bomen zijn.

 

Bron: Berkshire Community College Bioscience Image Library, Flickr, publiek domein
(figuur aangevuld met Nederlandstalige benamingen)

 

Een doorsnede door een bananenstam toont de bladstelen die samen de stam vormen.
Bron: Vezina, Anne / Bioversity International, voor musarama, CC BY-NC-SA 4.0

 

Die bananenvrucht moeten we trouwens een bes noemen. Bessen zijn vlezige vruchten zonder een steen (pit), die voortkomen uit één enkele bloem met een vruchtbeginsel. De buitenwand van het vruchtbeginsel groeit dan uit tot het vruchtvlees van de bes (de pericarp), en de zaden zitten in dat vruchtvlees verscholen.  Goede voorbeelden van bessen zijn druiven, bosbessen, maar ook tomaten, komkommers, aubergines en dus ook bananen. Ook paprika’s zijn bessen, al zijn ze niet zo vlezig als bijvoorbeeld tomaten. Frambozen en aardbeien zijn dan weer géén bessen, maar respectievelijk verzamelsteenvruchten en schijnvruchten.

 

De onderdelen van een bloem.
Vertaald uit het Deens van Hhbruun, Danish Wikipedia. CC BY-SA 3.0

 

De ultieme vraag over bananen blijft nochtans – van waar halen ze die kromme vorm? Het antwoord is – negatieve geotropie. Geotropie is het proces waarbij plantendelen met de zwaartekracht meegroeien. Plantenwortels zijn bijvoorbeeld positief geotroop, zodat ze naar beneden groeien, de grond in, waar ze mineralen en water vinden. Bij bananen gebeurt het omgekeerde. De bananenbloemen zitten bij mekaar en hangen aan bloeistengels, in verschillende rijen, telkens in de oksel van een groen of purperen schutblad. De bloemen zijn eenslachtig, en er zitten mannelijke en vrouwelijke bloemen. Aan de top van de bloeistengel zitten vele rijen mannelijke bloemen met vijf meeldraden. Aan de voet van de bloeiwijze zitten vrouwelijke bloemen die naar de top toe vaak overgaan in tweeslachtige bloemen. Het gewicht van deze bloeiwijzen laat de bloeistengel doorhangen, en de bananenvrucht, die zich uit de bloem ontwikkelt, groeit daardoor naar beneden. Het proces van negatieve geotropie dwingt de vrucht naar de andere richting, tegen de zwaartekracht in. Doordat de vruchten zowel de geotropie als de zwaartekracht ondergaan, ontstaat de bekende kromme vorm.

Maar waar is die negatieve geotropie voor nodig? Bananen zijn tropische vruchten die normaal groeien in de tussenlaag van de tropische regenwouden, een zone in het plantendek waar maar weinig licht in doordringt. Mochten de vruchten naar het weinige zijdelings invallende licht groeien, dan zouden de planten uit evenwicht raken en omvallen.

 

Vrouwelijke bananenbloemen
Bron: Ruestz, Wikimedia, CC BY-SA 3.0

 

 

Deze blogpost is een aanvulling op Elementair, onze podcast over wetenschap, hier te vinden op Spotify.

Deze podcast wordt gesteund door het Fonds Ernest Solvay via de Koning Boudewijnstichting.

Geplaatst door Geert op 15/11/2019 om 17:23